Tweede Kamer: meer zekerheid voor flexwerkers
De Tweede Kamer is akkoord gegaan met het wetsvoorstel Meer zekerheid voor flexwerkers.
Nederland heeft in vergelijking met de rest van Europa een groot aantal flexwerkers: 2,7 miljoen. Deze nieuwe wet moet deze doelgroep beter beschermen.
Werknemers mogen niet te lang in de flexibele schil blijven hangen. De onderbrekingstermijn tussen twee contracten waarna er weer een nieuwe keten van tijdelijke contracten kan beginnen wordt verlengd van zes maanden naar drie jaar. Er mogen wel nog steeds drie tijdelijke contracten worden afgesloten binnen een periode van drie jaar.
Let op! Voor scholieren en studenten met een bijbaan (maximaal 16 uur per week) blijft de tussenpoos zes maanden. Daarnaast blijft voor seizoensarbeid een onderbrekingstermijn van drie maanden mogelijk.
In plaats van nul-urencontracten worden bandbreedtecontracten ingevoerd. Daarbij wordt een minimum- en maximumaantal uren overeengekomen (vergelijkbaar met een min-maxcontract). Het maximumaantal uren mag niet meer bedragen dan 130% van het minimumaantal uren.
Let op! Scholieren, studenten met een bijbaan (maximaal 16 uur per week) en AOW’ers mogen nog wel op oproepbasis werken.
Tip! Bandbreedtecontracten voor onbepaalde tijd gaan onder de lage WW-premie vallen.
Waar uitzendkrachten momenteel in fase B (ABU) dan wel fase 2-3 (NBBU) nog zes tijdelijke contracten mogen krijgen binnen een periode van drie jaar, wordt deze periode straks beperkt tot twee jaar. Het maximumnaantal contracten blijft daarbij ongewijzigd op zes. Ook hier wordt de onderbrekingstermijn verlengd van zes maanden naar drie jaar.
Verder krijgen uitzendkrachten recht op arbeidsvoorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die welke gelden voor werknemers in dienst van de inlener. Voor de beloning van een uitzendkracht is dat nu al zo door een uitspraak van het Hof van Justitie.
Daarnaast wordt de periode van uitzendwerk waarin de uitzendkracht elke dag kan worden ontslagen of niet weet hoeveel uur hij kan werken verkort van anderhalf jaar naar een jaar.
De Eerste Kamer moet nog instemmen met het wetsvoorstel. In het kader van het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) en daarmee samenhangende te ontvangen geld vanuit de EU, zou het wetsvoorstel uiterlijk 31 augustus 2026 in het Staatsblad gepubliceerd moeten zijn. Daarnaast zouden de gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten uiterlijk op 31 december 2026 in werking moeten treden. Aan de Eerste Kamer is daarom gevraagd om voor het zomerreces 2026 over het wetsvoorstel te stemmen.
Let op! Als de Eerste Kamer instemt, gaat de wet waarschijnlijk per 1 januari 2028 in. Alleen het onderdeel gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden voor uitzendkrachten gaat dan eerder al in: namelijk op uiterlijk 31 december 2026.
De Tweede Kamer is akkoord gegaan met het wetsvoorstel Meer zekerheid voor flexwerkers.
Als werkgever heb je voor bepaalde groepen werknemers die moeilijker aan het werk komen – onder voorwaarden – recht op een tegemoetkoming in de loonkosten. Dit is vastgelegd in de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). Vanaf 2026 bestaat binnen de Wtl alleen nog recht op loonkostenvoordeel. In deze advieswijzer komen ook nog wat andere voordelen aan bod.
Stel, een werknemer is langdurig ziek, werkt onvoldoende mee aan de re-integratie en het loon wordt stopgezet. Moet dan de periode waarin het loon is stopgezet, wel of niet worden meegenomen bij de berekening van de transitievergoeding?
Een werkgever kan compensatie vragen voor een transitievergoeding die hij verschuldigd is bij ontslag van een werknemer die meer dan twee jaar ziek is. Het vorige kabinet was van plan om deze compensatie vanaf 1 juli 2026 alleen nog aan kleine werkgevers te geven, maar de inwerkingtreding is uitgesteld tot 1 januari 2027.
Het wettelijk minimumuurloon wordt per 1 juli 2026 weer geïndexeerd en stijgt daardoor naar € 14,99.
Op 21 april 2026 heeft de Tweede Kamer ingestemd met het wetsvoorstel over het invoeren van een rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief. De beoogde inwerkingtreding is 1 juli 2026.
Als u dga bent van meerdere bv’s kan het zijn dat de Belastingdienst vindt dat u in alle bv’s een gebruikelijk loon moet genieten. Dit geldt ook als het loon niet hoger is dan € 5.000 per jaar. Hoe zit dat?
Een dga met minimaal 5% van de aandelen moet een gebruikelijk loon in aanmerking nemen als hij ook werkzaamheden verricht voor de bv. Dit mag het loon zijn uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking. Dat moet dan wel aannemelijk gemaakt kunnen worden door de dga zelf.
De verplichting tot re-integratie in het eigen werk (spoor één) vervalt in het tweede ziektejaar. De werkgever kan zich in het tweede ziektejaar dan concentreren op re-integratie buiten de eigen organisatie (spoor twee). Minister Aartsen van Werk en Participatie heeft dit opgenomen in een wetsvoorstel.
Het kabinet heeft besloten dat het advies van de bedrijfsarts leidend wordt bij de poortwachterstoets. Dit neemt onzekerheid bij de werkgever weg en ontlast verzekeringsartsen bij het UWV. Het wetsvoorstel ligt nu bij de Raad van State.